Boldershof 100 jaar - Muurschilderingen Eduard Cuypers
Eduard Cuypers (1859-1927)
Eduard Henricus Gerardus Hubertus (‘Eduard’ of ‘Ed.’) Cuypers werd in 1859 geboren te Roermond. Van 1876 tot ca. 1881 was hij in Amsterdam tijdens de bouw van het Rijksmuseum in de leer bij zijn oom P.J.H. Cuypers (1827-1921), één van de belangrijkste architecten van de 19e eeuw in Nederland. In 1881 vestigde hij zich als zelfstandig architect. Vanaf de vroege jaren '80 tot aan zijn dood in 1927 heeft hij een bloeiend architectenbureau geleid dat enige honderden, vaak grote bouwwer¬ken heeft ontworpen en waar tientallen aankomend architecten hun opleiding hebben ontvangen, onder wie vrijwel alle architecten van de ‘Amsterdamse School’ zoals Michel de Klerk, Piet Kramer, J.M. van der Mey en G.F. la Croix. Het bureau was van 1899-1928 gevestigd in het door Ed. Cuypers zelf ontworpen huis Jan Luykenstraat 2-2A in Amsterdam, vlak naast het Rijksmuseum. Sinds 1909 had hij ook een bureau in Nederlands-Indië, dat daar, naast enkele onderwijsinstellingen, kerken, hotels en winkelpanden vooral veel monumentale bedrijfspanden tot stand heeft gebracht. Bovendien ontwierpen Cuypers en zijn medewerkers alle mogelijke kunstnijverheidsproducten om een zo groot mogelijke eenheid tot stand te brengen tussen architectuur en inrichting. Veel van die producten werden vervaardigd in het eigen kunstnijverheidsatelier, ‘Het Huis’, kort na 1900 opgericht.
Cuypers was beroemd om zijn gebouwen op het gebied van de gezondheidszorg, maar niet minder om zijn kantoren, landhuizen, villa’s, woonhuizen, winkelpanden en tentoonstellingsgebouwen. Van zijn hand zijn onder meer het zogeheten Witsenhuis, Oosterpark 82 in Amsterdam (1884), het voormalig station van Den Bosch (1894-1896), de villa’s Van Eeghenstraat 92 (1902-1903) en Honthorststraat 20 (1904-1906) en het hoofdkantoor van het Algemeen Handelsblad, Nieuwezijds Voorburgwal 234 (1902-1903), alle in Amsterdam, het Landhuis Vilsteren bij Ommen (1907-1909), Kasteel De Hooge Vuursche in Baarn (1910-1913), Stoop’s Bad te Bloemendaal (1920), het Sint Dominicuscollege te Nijmegen-Neerbosch (1925-1927), de retraitehuizen in Venlo, Vught en Spaubeek, de sanatoria Hoog-Laren te Laren, Oranje Nassau’s Oord te Renkum en Dekkerswald te Groesbeek en ziekenhuizen in, onder meer, Dordrecht, Heerlen, Eindhoven, Den Haag en Tilburg. Veel daarvan heeft Cuypers in zijn eigen tijdschrift 'Het Huis oud & nieuw' gepubliceerd. Dit fraai verzorgde periodiek werd in 1903 opgericht naar voorbeeld van soortgelijke bladen in Duitsland, Oostenrijk en Engeland.
Tot omstreeks 1900 maakte Eduard Cuypers ontwerpen in neo-renaissancestijl, als zijn meeste generatiegenoten. Kort voor de eeuwwisseling raakte Cuypers sterk onder invloed van nieuwe stromingen in Engeland, Duitsland en Frankrijk. Van zijn bureau kwamen nu ontwerpen in Art Nouveau en 'cottage'-stijl, soms met aanwijsbare Japanse motieven. Wat later bleken vooral het 18de-eeuwse Duitse classicisme en de 17de-eeuwse Nederlandse bouwkunst grote aantrekkingskracht op hem uit te oefenen. Na de wereldoorlog verschoof het accent van de opdrachten steeds meer naar ziekenhuizen, scholen en instellingen van religieuze aard. De stijl versoberde, maar de aandacht voor de totaalinrichting, voor goede proporties en goed verzorgde details bleef. Bij de ontwerpen uit de jaren twintig hadden zijn medewerkers H.J.A. Bijlard en K. van Geijn een belangrijk aandeel. Nadat Eduard Cuypers vrij onverwacht op 1 juni 1927 was overleden zetten zij het bureau voort. Zij hielden vast aan de zelfde hoge kwaliteitseisen. Van hun hand zijn onder meer woningen in Amsterdam-Zuid, het klooster Albertinum in Nijmegen en ziekenhuizen in Leeuwarden en Hoorn. Tot op de dag van vandaag is het bureau, inmiddels meermalen van naam veranderd, gespecialiseerd in gebouwen op het gebied van gezondheidszorg.
In de beginjaren van zijn carrière werkte Ed. Cuypers samen met zelfstandige kunstenaars als de decoratieschilder Michel Antoine Hendrickx en de beeldhouwers P.E. van den Bossche en W.H. Crevels. Al voor 1900 had hij voldoende capabele mensen om zich heen verzameld op zijn eigen bureau om daar allerlei kunstnijverheid en decoratief werk te laten ontwerpen en deels ook in eigen beheer uit te voeren. Slechts enkelen zijn met name bekend, bijvoorbeeld Jan de Quack (werkzaam 1888-1890), de al genoemde latere Amsterdamse-Schoolarchitecten, de tekenaar André Vlaanderen (werkzaam 1899-1905), de schilder Johan Bernhard Kamp (werkzaam 1901-1910) en diens latere echtgenote Dina del Court (werkzaam 1908-ca. 1915). Veel ontwerpen kunnen helaas niet op naam gesteld worden. In de jaren twintig heeft Ed. Cuypers nog een tijd samengewerkt met August Hermans uit Roermond, in ieder geval bij projecten in Roermond, Tilburg en Nijmegen. Figuratief schilderwerk in kerken en kapellen zal in die tijd niet meer in eigen beheer gedaan zijn. Waarschijnlijk waren het toen vooral de opdrachtgevers die beslisten wie er bij een project betrokken zou worden, bijvoorbeeld Piet Gerrits in Groesbeek, Walter Vits in Nijmegen en Hubert Schafhausen in Langenboom. De jaren tien blijven wat dat betreft in nevelen gehuld. De schilderingen in de kapel van Boldershof in Druten zijn zeer waarschijnlijk op Cuypers bureau ontworpen en uitgevoerd, maar door wie is onbekend. Niet ondenkbaar is dat J.B. Kamp ze, na zijn dienstverband bij Cuypers, alsnog ontworpen (althans geschilderd) heeft, zoals ook André Vlaanderen na 1905 nog opdrachten van zijn vroegere werkgever bleef aannemen.
Literatuur
Zie over Eduard Cuypers onder meer: H.J.A. Bijlard, G. Vissering e.a., themanummer ter herdenking van Eduard Cuypers, in: Het Nederlandsche en Ned.-Indische Huis Oud & Nieuw 17 (1928), p. 1-62; G. Vissering, ‘Eduard Cuypers †’, in: Nederlandsch-Indië Oud en Nieuw 12 (1927-1928), p. 66-69; G. Vissering, ‘Levensbericht van Eduard Cuypers’, in: Handelingen en Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (Letterkundige Mededeelingen), Leiden 1927-1928, p. 1-15 (met werklijst); G.W. van Heukelom, ‘Ter herdenking van Eduard Cuypers’, in: De Ingenieur 42 (1927), p. 646-647; H.J.M. Walenkamp Cz., ‘Eduard Cuypers’ in: De Groene Amsterdammer 11 Juni 1927, p. 19; H.J.M. Walenkamp Cz., ‘Moderne bouwmeesters’, in: De Groene Amsterdammer 18 Juni 1927, p. 4; J.F.L. de Balbian Verster, ‘Wijlen Eduard Cuypers’ in: Maandblad Amstelodamum 16 (1929), p. 17-19; H.J.F. de Roy van Zuydewijn, Amsterdamse bouwkunst 1815-1940, Amsterdam 1969, p. 62-63, 108-109, 151; G. Fanelli, Moderne architectuur in Nederland 1900-1940, ’s-Gravenhage 1978, p. 251-253 (met werklijst); B. Gerlagh, Ed. Cuypers architect, doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam, 1979; P.J. van Buren e.a. (tekst), A.L.M.T. Nijst (red.), Architectenburo Roelofs Nijst Lucas, Amsterdam 1981; B. Gerlagh, ‘Cuypers (Cuijpers), Eduard’, in: Saurs Allgemeines Künstlerlexikon. Die Bildenden Künstler aller Zeiten und Völker, Band 23, München/Leipzig 1999, p. 241-243 (met werklijst); Jos Smit, ‘Schauseiten, blinde muren en cosy corners. Het behaaglijke thuis van Ed. Cuypers’, in: Amsterdam Monumenten & Archeologie 4 (2005), p. 36-49; B. Gerlagh, ‘Eduard Cuypers en Amsterdam, de eerste vijfentwintig jaren’, in: 99ste Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum, Amsterdam 2007, p.134-191. Voor het werk in voormalig Nederlands-Indië: Huib Akihary, Architectuur & Stedebouw in Indonesië 1870-1970, Zutphen en Zeist 1988, 1990, speciaal p. 35-38, 100-102 (met werklijst voor Nederlands-Indië). Het archief van Eduard Cuypers op het Nederlands Architectuur Instituut in Rotterdam is helaas zeer onvolledig en bevat voornamelijk presentatietekeningen en schetsen van slechts een deel van het oeuvre, vooral van na 1900.
|
|
| Datum foto: 28-07-2010 |  |
|
|